|
Bij de Oude Grieken is Hypnos de god van de slaap en de
broeder van Thanatos, de doodsgod. Beiden zijn ze zonen van de Nacht, waar
de symbolisten aan verknocht zijn, zowel vanwege het mysterie en de stilte
als om het gevoel van angst dat ermee gepaard gaat.
Hypnos heerst over het gehele oeuvre van Khnopff, waar hij een droomsluier
overheen legt. De kunstenaar was bijzonder geroerd door een kleine bronzen
kop uit de 4e eeuw voor onze jaartelling, die in het British Museum te
Londen wordt bewaard. Khnopff blijft opmerkelijk trouw aan die voorstelling
door Hypnos in zijn fragmentarische staat weer te geven.
Hypnos bestaat niet enkel in
het oeuvre van de kunstenaar maar gaat ook tot diens leven behoren. In zijn
atelier had Khnopff een altaar opgetrokken, waarop een kopie van het
goddelijke hoofd troonde.
De hypnotische toestand is overigens een leitmotiv bij Khnopff. Zijn
personages, die zich bewegen in een dagdroom, in het schemerduister tussen
het werkelijke en het onwezenlijke, lijken ondergedompeld in een soort
autohypnose.
Aan het eind van de 19e eeuw werd de hypnose gebruikt door Sigmund Freud, de
vader van de psychoanalyse. Hij kon er zijn patiënten in een toestand van
gewijzigd bewustzijn mee brengen, waarin hun onbewuste aan de oppervlakte
kwam.
Khnopff en talloze andere symbolisten die "de schilders van de ziel" worden
genoemd, trachten deze geheime plek, deze gesteldheid waarin we onze
innerlijke wereld genaderd zijn, te peilen.
C.A. |