NL
  NL | FR | EN
Pedagogisch-dossier  | Info Pers | EvenementenWork in progressHome |     
tentoonstelling symbolisme in bozar

  Referentiepunten en definities

  De verschijning in 1886 van het Manifeste du symbolisme, in de literatuurbijlage van Le Figaro, wordt doorgaans aanzien als het begin van de symbolistische beweging. In dit artikel heeft Jean Moréas het over het bestaan van een "poésie symbolique", waarvan "vêtir l’idée d’une forme sensible" het streven is.

  Aanvankelijk wordt het symbolisme beschouwd als een overwegend literaire stroming, met in Frankrijk Jules Laforgue en Stéphane Mallarmé als voornaamste vertegenwoordigers. Ook België zal een belangrijke symbolistische literaire productie kennen dankzij auteurs als Maurice Maeterlinck, Emile Verhaeren en Georges Rodenbach.

  Weliswaar is het Manifeste du symbolisme door Moréas neergeschreven, maar toch danken we aan Stéphane Mallarmé, met zijn opvatting van het symbool, de omschrijving die deze nieuwe poëtische taal het meest benadert :

« Nommer un objet, c’est supprimer les trois-quarts de la jouissance du poème qui est faite du bonheur de  deviner peu à peu : le suggérer, voilà le rêve. C’est le parfait usage de ce mystère qui constitue le symbole : évoquer petit à petit un objet pour montrer un état d’âme, ou inversément, choisir un objet et en dégager un état d’âme par une série de déchiffrements »

(S. MALLARMÉ in : L’Echo de Paris, 1891).

(Een object bij naam noemen, dat betekent driekwart van het genot van het gedicht, of anders gesteld het geluk langzamerhand te achterhalen waar het om gaat, opheffen : suggereren, dat is de droom. Dit is het volmaakte gebruik van het raadsel waaruit het symbool bestaat : een object stukje bij beetje oproepen, om een blik op een gemoedstoestand te gunnen, of andersom, een object uitkiezen en er een toestand van de ziel uit afleiden.)

  De symbolistische ideeën worden vervolgens uitgedragen door de literaire tijdschriften, waarvan het aantal in die tijd onophoudelijk toeneemt : Le Mercure de France en Le Symboliste in Frankrijk, l’Art Moderne en La Wallonie in België.

  Het is in één van deze tijdschriften dat de Franse kunstcriticus Albert Aurier een definitie van het symbolisme geeft, toegepast op de schilderkunst, waarin het kunstwerk aan de volgende criteria moet voldoen :

 « (…)
premièrement Idéiste, puisque son idéal unique sera l’expression de l’idée;
deuxièmement Symboliste, puisqu’elle exprimera cette idée par les formes;
troisièmement Synthétique, puisqu’elle écrira ces formes, ces signes, selon un mode de compréhension générale;
quatrièmement Subjective, puisque l’objet ne sera jamais considéré en tant qu’objet mais en tant que signe perçu par le sujet;
cinquièmement (c’est une conséquence) Décorative, car la peinture décorative proprement dite, (…) n’est rien autre chose qu’une manifestation d’art à la fois subjectif, synthétique, symboliste et idéiste
»
(A. AURIER in : Le Mercure de France, 1891).
(
ten eerste moet het Ideïstisch zijn, aangezien zijn enige ideaal erin bestaat de vertolking van een idee te zijn;
ten tweede Symbolistisch, aangezien het deze idee zal uitdrukken in vormen;

ten derde Synthetisch, aangezien het deze vormen, deze tekens zal schrijven op een algemeen verstaanbare wijze;

ten vierde Subjectief, aangezien het object nooit als object zal worden beschouwd, maar als teken dat door het subject wordt waargenomen;
ten vijfde (dit is er een gevolg van) Decoratief, omdat de decoratieve schilderkunst eigenlijk, (...) niets anders is dan een tegelijkertijd subjectieve, synthetische, symbolistische en ideïstische verschijningsvorm van de kunst)

  Het symbolisme, de kunst van de suggestie, van de gedachte, van het mysterie, zal één van de voornaamste stromingen worden die de late 19de eeuw heeft gekend. Het reikt tot ver over de grenzen van Europa en ontwikkelt zich in een waaier van kunstdisciplines : toneel, schilderkunst, poëzie, architectuur, toegepaste kunsten …

  Als laatste opflakkering van de romantiek wordt het symbolisme gekenmerkt door dezelfde subjectiviteit en verheerlijking van het individu.

  In het domein van de schilderkunst behoort het prerafaëlitische werk van Millais, Hunt, Rossetti of later Burne-Jones tot de eerste vormen van symbolisme. Deze groep Engelse kunstenaars, die zich vanaf 1848 in een broederschap verenigen, bepleit een terugkeer naar de kunst van voor het classicisme van Rafaël en is bijzonder ingenomen met literatuur uit voorbije tijden, middeleeuwse legenden of antieke mythen. Talloze symbolisten zullen in de ban raken van de geraffineerde stijl, de vlucht in het verleden en de omnipresentie van de verleidelijke en raadselachtige vrouw.

  Vanaf de jaren 1880 en tot 1900, wanneer het met de strekking van de "Art nouveau" zijn hoogtepunt en triomf beleeft, kent het symbolisme een snelle ontwikkeling dankzij de vele salons en kunstkringen. Les XX in Brussel, de Salons van de Rose+Croix in Parijs alsmede de Sezession in München, Berlijn en Wenen organiseren lezingen, voordrachten, concerten en tentoonstellingen in een mix van culturen, ideeën en artistieke uitdrukkingswijzen.

  Deze symbolistische "ideeën" zullen standhouden tot 1914, het moment waarop de volgelingen door de oorlog hard en onverbiddelijk met de werkelijkheid worden geconfronteerd.

                          Context en situatie

  In weerwil van de tentoonstellingen, een heus manifest en andere verklaringen is het symbolisme nimmer een officiële kunststroming geweest. Het was veeleer een geesteshouding die reageerde tegen het heersende positivisme en de teloorgang van de spiritualiteit die de tweede helft van de 19de eeuw kenmerken.

  Na de romantiek ziet immers een reeks denksystemen het daglicht die de waardige erfgenamen van de Industriële Revolutie willen zijn. In deze context van uitvindingen en vooruitgang doet een nieuwe religie zich gelden : die van de Wetenschap. Het sciëntisme gaat zelfs zo ver te beweren dat "le monde est aujourd’hui sans mystère" (M. BERTHELOT, Les origines de l’Alchimie, 1885).

  Voortaan vindt alles zijn verklaring. Het geloof in de Wetenschap komt in de plaats van het godsdienstige geloof. In 1852 publiceert Auguste Comte zijn Cathéchisme positiviste. Het positivisme van Auguste Comte en Hippolyte Taine zal de wetenschappelijke methoden in de geesteswetenschappen toepassen : de geschiedenis, de kunst, de maatschappij worden bepaald door wetten, het sociale milieu en de tijd.

  Geklemd tussen Wetenschap en materialisme kent de 19de eeuw een achteruitgang van de spiritualiteit. Sinds Darwin is de mens zelf niet langer een product van het toeval, maar een schakel in een evolutionaire keten, waarin alles gedetermineerd lijkt.

  Deze ideologische stromingen vinden een echo in de kunst, met name in de objectiviteit van het realisme en de thema's van het naturalisme. De lijn wordt doorgetrokken tot de nauwkeurige en experimentele observatie van de kleur- en lichteffecten bij de impressionisten.

  Aan het eind van de eeuw ontstaat hevige reactie tegen deze moderne wereld. Het positivisme van Comte wordt beantwoord met het pessimisme van Schopenhauer. Tegen de burgerij en haar vertrouwen in de vooruitgang wordt gereageerd met het dandyisme en het decadentisme. Het realisme en het impressionnisme krijgt weerwerk in het SYMBOLISME.

Thema's en aspiraties
Anywhere out of the World (Ch. BAUDELAIRE)

  Vluchten, Waar dan ook, ver van deze wereld, dat begeren de symbolisten. Tot elke prijs de materiële wereld ontstijgen en opgenomen worden in die van de ideeën en de droom.

  Zo leggen heel wat symbolisten belangstelling aan de dag voor het spirituele, die zich bij sommigen uit in een zwak voor het esoterisme en het satanisme. Een andere manier om te ontkomen aan het hier en nu is "de vlucht in het verleden", de zoektocht naar een verloren paradijs. De symbolisten zullen het terugvinden in de mythen en legenden van eertijds.

  De thema's van de slaap, de nacht, de stilte komen dan ook vaak aan bod, als om ons voor te bereiden op de droom.

  Tussen de kunsten ontstaan overeenstemmingen. « Les couleurs, les parfums et les sons se répondent » (Ch. BAUDELAIRE, Correspondances, 1858). Net als in het "Gesamtkunstwerk" (totaalkunstwerk) van Wagner, die in hun ogen een ware held is, dienen alle kunstvormen het ideaal van de symbolisten.

  Op het moment dat de wetenschap haar zekerheden oplegt, biedt het symbolisme ons een heel andere wereld, waarin het zonderlinge en het ambigue heer en meester zijn: hybride wezens, androgynen, tegelijk aanlokkelijke en noodlottige vrouwen vervullen het symbolistische universum.

  Berthelot mag dan wel zeggen: « le monde est aujourd’hui sans mystère », het symbolisme levert ons het bewijs van het tegendeel.

G.B.

  To top of page